Regen is als miezer, heel zachtjes en sprankelend op haar huid. Maar het zijn ook dikke druppels die zich vaak, samen met de wind, als een douche over haar uitstorten. Soms is het er ineens, maar je kunt het ook van ver zien aankomen en als het er is, kan het ook lang blijven hangen. Het veroorzaakt grote plassen, kleine plassen, overstromingen en is altijd onbetrouwbaar. In de zomer voelt het als een verfrissende bui na een hete dag en in de winter, in de donkere dagen, krijg je er koude rillingen van. Zolang ze zich kan herinneren houdt zij al van de regen, van het gevoel van geborgenheid door de buien om haar heen, het even kunnen verdwijnen in een andere wereld.
Joos wil nu ook verdwijnen als haar vader, uit onmacht, weer klappen uitdeelt aan degene die het dichts bij hem in de buurt zit. Zij staat snel op, hengelt in de gang haar jas van de kapstok en stormt de steile trap af. Beneden doet ze haar jas aan terwijl ze tegelijkertijd de deur opentrekt en ze loopt zo hard ze kan de straat uit en de hoek om. Ze glijdt bijna uit als ze de fabrieksarbeiders probeert te ontwijken die op weg zijn naar de kroeg. Vieze kerels vindt ze het die haar sissend nastaren. Joos gaat pas langzamer lopen als ze de winkelstraat bereikt, met haar verlichte etalages en portieken, waar ze even kan bijkomen. Als ze dan omringd wordt door de regen voelt ze zich zo veilig en geborgen, het werkt troostend en helend, zalig gewoon.
’s Avonds in haar koude bed op de koude zolder, direct onder de lekkende dakpannen, kan ze pas slapen als de regen op het zolderraampje tikt en ze het gejengel van haar zusje niet meer hoeft te horen.
Plaats een reactie