De start
Op de basisschool heeft Joos niet veel vriendinnen gehad en voelde ze zich onzeker en beschaamd, in de zin van zich schamen voor haar zijn en haar familie en haar thuis. Ze zag dat het bij anderen thuis gewoon anders was, er werd met elkaar over andere onderwerpen gesproken, er werden andere spelletjes gespeeld. Zo heeft Joos pas geleden bij een klasgenoot leren schaken. Ze had er nog nooit van gehoord maar ze vindt het geweldig en soms wint ze ook nog weleens.
Haar zus is naar de huishoudschool gegaan en dat is nu net wat Joos écht niet wil Ze wil studeren, ze is nieuwsgiering naar wat er nog meer is in de wereld. Haar moeder hoort ze weleens tegen oma zeggen “Joos kan goed leren zeg!” Ze weet het dus wel, ook al zegt ze er nooit iets van.
Schoorvoetend loopt Joos, voor de eerste keer, het schoolplein op, langs een groep stoere rokende meiden die iedereen aanstaren die naar binnen wil. Ze staan voor de poort omdat op het schoolplein niet gerookt mag worden. Ze barricaderen de deur eigenlijk zodat je moeite moet doen om er langs te komen. ‘Doorlopen’, zegt Joos in zichzelf. Achter zich hoort ze iemand lachen, is dat omdat ze die stomme schoenen aanheeft of dat 2e handsjurkje die haar tante heeft meegeven toen ze daar zondag op bezoek waren?
Op het schoolplein zoekt ze de deur waar de brugklassers naar binnen moeten en ze loopt die kant op. Ze weet niet wat ze anders moet gaan doen dus gaat Joos maar vast bij de deur staan. Even later komen er een paar meisjes bijstaan die elkaar blijkbaar al kennen en vragen aan Joos of ze ook voor de 1e klas komt. “Nou” zeggen de meiden, “dan komen we bij elkaar in de klas.” Bij deze 2 meiden zal Joos vier jaar lang haar pauzes vullen en in de klas blijven.
Joos is een stil en bedeesd meisje in de klas, ze zit het liefst achteraan en probeert niet op te vallen. Sommige klasgenoten proberen soms te klieren en herrie te maken maar daar doet ze nooit aan mee. Ze let goed op tijdens de lessen en maakt altijd haar huiswerk. “De perfecte leerling” en “een engeltje in de klas,” zou haar mentor ooit zeggen. Niemand weet van haar situatie thuis, waar ze nergens echt een goede plek kan vinden om haar huiswerk te maken of toetsen te leren. Overal is er geluid, de tv staat altijd aan, of Rianne krijgt weer een woede aanval. Gek wordt ze ervan!
Soms vragen de meiden op school naar haar thuis. En dan geeft ze de antwoorden die ze kent van andere kinderen. “Wat doet je moeder voor werk?” “Die werkt in het ziekenhuis,” zegt Joos. “Wat leuk,” reageert het meisje. “wat doet ze daar,” vraagt ze geïnteresseerd. “Ze werkt op het laboratorium,” zegt Joos. “Laborante, wat leuk,” is de reactie. Joos zwijgt, ze durft niks meer te zeggen en knikt alleen maar. Wat moet ze hier op zeggen? Nu kan ze toch niet meer vertellen dat haar moeder schoonmaker is en toevallig altijd ook het laboratorium moet dweilen?
Joos haalt mooie cijfers, ze gaat ervoor. Ze beseft heel goed dat een goed diploma haar uitweg is. Dan kan ze namelijk een baan zoeken en dan heb je geld om zelfstandig te zijn. Maar dat duurt jammer genoeg nog een paar jaar. En ze moet alles alleen doen, op hulp van thuis hoeft ze niet te rekenen. En ook haar rapport wordt nauwelijks bekeken, er wordt wel een handtekening opgezet door haar vader, dat is verplicht voordat ze het weer mee naar school moet nemen. Ondanks dat hij analfabeet is heeft hij wel geoefend om zijn naam te schrijven. Dat is het enige wat Joos hem ooit heeft zien schrijven. Op uitnodigingen voor een ouderavond gaan haar ouders nooit in. “Ze kunnen toch niet, haar moeder moet werken. Snap je dat niet?”